Na het zien van de Sunrise trilogie besefte ik dat dit verhaal ook mijn tanende liefde voor de popmuziek beschrijft. De drie films gaan over enkele momenten uit het leven van twee jonge mensen. Ze ontmoeten elkaar in de trein in Oost Europa en raken in gesprek. Om maar verder te kunnen praten met elkaar stappen ze spontaan in Wenen uit, waar ze niet hoeven zijn, en wandelen en filosoferen tot ochtendgloren om dan afscheid te nemen. Negen jaar later komen ze elkaar bij toeval weer tegen in Parijs, waar een zelfde magisch moment ontstaat. Die enkele nacht in Wenen blijkt bepalend te zijn geweest voor hun leven.
De derde film laat zich raden. Twintig jaar later, getrouwd
en twee dochtertjes. Zoals ze in de eerste twee delen alleen oog voor elkaar
hadden, vullen ze de leegte die tussen hen ontstaan is op door mensen uit te
nodigen om niet geconfronteerd te worden met elkaar. Veel artistieke mensen die
voortdurend interessante dingen opmerken. Dat komt tot uitdrukking wanneer ze
in hun vakantiehuis aan zee in Griekenland de avondmaaltijd genieten. Er
ontstaat een soort competitie navelstaren, zoals je kan verwachten van beschaafde
mensen die met bescheiden welsprekendheid laten merken dat ze het goed gedaan
hebben. Is het stel alleen dan wordt het kiften, wat duidelijk maakt dat de
betovering is uitgewerkt. Wat rest is de kater.
Zo zie ik de staat van de popmuziek, vastgelopen in een
eeuwige herhaling van hetzelfde dat al jaren braafjes voortkabbelt in
routineuze dure sleurfestivals met een overstelpend aanbod. Terwijl men bij de
live uitzendingen op tv van alles doet om met bekende pratende hoofden,
daaronder heftig gebarende armen vol tattoos, de schijn op te houden dat het
allemaal nieuw, dynamisch en creatief is wat er gebeurt. Om je maar het gevoel
te geven dat je iets bijzonders mist. Oftewel, een cultuur van vlotte mensen die
veel moeten kletsen om er maar niet achter te hoeven komen dat ze uitgeluld
zijn met elkaar.
Het vastgelopen Sunrise-stel meende ik te herkennen in
Pinkpop dit jaar, het evenement in popland dat het festivalseizoen opent. Een
enorm aanbod van bands van hoog niveau, maar met weinig onderscheid. De harde muziek
klinkt als een soort communistische eenheidsworst gefabriceerd op een kolchoz. Dat
evenzo kan gelden voor de ontelbare festivals die later (ook op tv) volgden en
de duizenden bands die er optraden en nog zullen optreden deze zomer. Columnist
Rob Vreeken brengt dit van toepassing op het
cultuuraanbod in het algemeen. In de
Volkskrant schrijft hij: “De overstelpende hoeveelheid aan cultuur
reduceert ons tot cultuurbarbaren. Voortdurend worden we opgejaagd door hippe
popfestivals en andere muziekfestijnen die we moeten bijwonen, filmtips en
boeken die we gelezen moet hebben”.
Cultuurslachtoffer Vreeken wordt er
moedeloos van: “Een ander verschil is dat het muzikale aanbod anno 2015 (over
Lowlands) niet alleen veel beter is dan destijds (oftewel 1968), maar ook veel
omvangrijker”. En je komt er niet
onderuit, probeert hij duidelijk te maken. Als je de heftige discussies volgt de
laatste tijd dan besef je dat de arme columnist niet de enige is met chronische
cultuurstress. In Amsterdam als dissidente stad ontstaat langzamerhand een heuse
culturele contrarevolutie die het overaanbod aan popfestivals, houseparty’s,
bierfietsen, vrijgezellenfeesten en aanverwante zaken compleet zat zijn. Tja,
als je niet meer van elkaar houdt is er weinig aan te doen. Voor relatietherapie
is het dan meestal te laat.
Kretz
Geen opmerkingen:
Een reactie posten